Twee verhalen ,één foto // ft. Sophie

Hi iedereen!
Vandaag heb ik voor jullie de eerste collab die ooit op deze blog verschijnt, yay! Exclusief Yentel haha. Sophie (een goede vriendin van mij) heeft dezelfde opleidingswens als ik en houd van schrijven, laatst kwam ze ineens met het leuke idee om allebei een kort verhaal te schrijven bij een foto die we van het internet haalden. Zo ontstond dit leuke idee voor een blogpost.... Wie mocht de eerste foto kiezen? Ikke!

In ieder geval ik zal het een beetje meer toelichten. Om de beurt gaan Sophie en ik een foto van Weheartit of Tumblr etc. kiezen om daarbij een kort verhaal te schrijven. Het verhaal mag rond de 1000 woorden bevatten. De keuze of de foto in het begin, midden of eind van toepassing is dat mag zelf gekozen worden!

De eerste foto is:

 

 

 

 

 

"Sophie's verhaal"

 

Niet achterom kijken. Niet doen. Ik ren zo hard als ik kan. Joost mag weten waarheen. Ik ken deze omgeving totaal niet maar dat maakt niet uit. Rennen voor mijn leven is de enige gedachte die in mijn hoofd zwerft. Het schreeuwt naar me: "Rennen, rennen, rennen, zo hard als je kan". Vol adrenaline ren ik door de stad. Mijn hart bonkt in mijn keel. Tranen stromen over mijn wangen. Ik focus me naar voren. Naast me zie ik een waas. Een wazig beeld waarin mensen schreeuwen en net zo hard rennen als ik. Gegil, geschreeuw en schoten. Ik moet zo snel mogelijk weg hier. Wat een gezellig dagje Amsterdam met mijn vriend had moeten worden, is uitgelopen tot een nachtmerrie.
 
''Nog tien minuten en dan zijn we er!'' zegt Thomas iets te enthousiast, kijkend op zijn horloge met een brede lach op zijn gezicht. Als er een stad is waar hij van houdt is het Amsterdam. Hij staat nog net niet te springen op zijn stoel. Ik lach naar hem, wetend dat ik hem eigenlijk uitlach voor zijn enthousiasme. Een dikke man verpakt in een grote bruine jas kijkt ons geërgerd aan en wijst naar het raam. ''stilte coupé." Oeps. Ik pak Thomas bij zijn hand en loop met hem naar de deur. Zodra we in het tussenstuk staan blijf ik stilstaan. ''We wachten hier wel even tot we er zijn.'' zeg ik grinnikend tegen Thomas. 

Nadat we zijn aangekomen lopen we het station uit, Amsterdam in. Ik kijk mijn ogen uit. Honderden mensen lopen langs elkaar heen. De ene strak in pak en de ander in zijn weekend kloffie. We lopen richting de dam. De geur van wiet dringt mijn neusgaten binnen. Naast me zie ik chinezen met grote fototoestellen in hun handen en Italianen met een "I love Amsterdam" t-shirt aan. "Wat zijn er toch altijd veel verschillende culturen in Amsterdam." zeg ik tegen Thomas, maar hij luistert niet. Hij heeft zijn ogen natuurlijk alweer gericht op de dam, waar honderden mensen in een kring staan te kijken naar een groep dansers. "Kom!" zegt Thomas en grijpt mijn hand vast. Hij sleurt me mee naar de kring mensen. "Rustig." lach ik. Maar voordat ik me terug kan trekken staan we er al. "Kijk dan hoe fantastisch!" Thomas heeft vroeger altijd gedanst. Door een blessure aan zijn enkel moest hij er mee stoppen, maar nog steeds, als hij dansers ziet, is hij net zo enthousiast als een kleuter die met Mickey Mouse op de foto mag. Hij pakt zijn mobiel uit zijn zak en drukt op het camera icoontje. "Kut, opslag vol," zegt Thomas geërgerd, "Wil jij het alsjeblieft filmen?" Ik rol lacherig mijn ogen en pak mijn mobiel. "Je bent een engel." zegt Thomas en geeft me een zoen op mijn wang. "Weet ik toch." Zodra ik op het filmknopje druk hoor ik een enorme knal. Thomas, ik en alle mensen om ons heen vallen naar achteren. Ik voel mijn mobiel uit mijn handen vallen. Het is even stil. Dan hoor ik een kind huilen en begint het geschreeuw. "Een aanslag!" schreeuwt een man. "Iedereen moet hier weg!" hoor ik een ander schreeuwen. Ik wacht geen moment en maak dat ik weg kom. 
 
Iedereen rent door elkaar. Ik ren zo hard als ik kan. Dan hoor ik een schot. En nog een. En nog een. Naast me zie ik mensen op de grond vallen. Tranen springen in mn ogen. "Ik wil niet dood, nu nog niet, alsjeblieft," Gil ik huilend, "en godverdomme Thomas waar ben je." 
 
Ver voor me zie ik een muur waar ik me achter kan verschuilen. Ik ren erheen. Buiten adem val ik met een klap op de grond achter de muur. Ik kan niet meer. Ik wil Thomas bellen, maar mijn mobiel ligt daar nog. Op de plek waar het begon. Titels van artikelen stromen mijn gedachten binnen. "Aanslag in Amsterdam". "Nederland nu ook slachtoffer van IS". Ik huil nog harder. Ik proef de zoute smaak van mijn tranen in mijn mond. Ik heb geen idee waar ik ben. Plotseling hoor ik een vrouw krijsend naar me toekomen met een kind in haar armen. Haar handen zitten vol met bloed. Ik schrik als ik zie waar het vandaan komt. Het kind, een meisje, in haar armen is geschoten in haar buik. "Mijn dochter, ze is, ik weet niet wat ik moet doen" huilt de vrouw. Haar ogen, rood van de tranen, staren hulpeloos naar de mijne. Ik grijp naar mijn broekzak. Mobiel. Ligt daar nog. Ik doe mijn vest uit en knoop het om de buik van het meisje om het bloeden te stoppen. Ik pak haar pols en probeer haar hartslag te voelen. Het duurt even maar dan voel ik het. Haar hartslag gaat langzaam, maar het is er nog. "Ze leeft nog," zeg ik snikkend tegen de vrouw, "maar ze moet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis, anders redt ze het niet." Ik kijk voorzichtig achter de muur om te kijken of er al hulp is. Mijn ogen vallen op een man die op de weg ligt. Zijn hoofd is bebloed en hij ligt doodstil. Dat zal toch niet .. Dan zie ik er nog een. Mijn ogen prikken door de tranen. Tegelijkertijd hoor ik sirenes. De vrouw begint te schreeuwen. "Alstublieft! Hier! Mijn kind..!" Ik luister hoe de woorden angstig uit haar mond komen. Mijn hoofd begint te bonken bij de gedachte van Thomas. Thomas waar ben je. Alsjeblieft wees nog niet dood. De ambulancemedewerkers rennen onze kant op. Ik moet weg, ik moet Thomas vinden. "Succes mevrouw, het komt goed." De vrouw, die nog steeds rode ogen heeft, glimlacht naar me. Ik ren weg. Mijn benen voelen zwaar en vermoeid aan, maar ik moet hem vinden. Dood of levend. Ik tril bij de gedachte. Hij zal toch niet dood zijn? Slikkend schud ik de gedachte uit mijn hoofd.
 
Na 3 kwartier gelopen te hebben zak ik langzaam op de grond. Niet wetend waar ik ben. Mijn handen trillen en mijn tranen zijn niet meer te bedwingen. In een flits zie ik alles wat er afgelopen 2 uur gebeurd is. De enorme knal, het gehuil, het geschreeuw, de lijken. Hoe kunnen mensen dit toch doen. Ik druk mijn handen in mijn gezicht. Hier zit ik dan. Vermoeid, bezweet, mascara over mijn hele gezicht en geen spoor van Thomas. Nog nooit heb ik me zo angstig en alleen gevoeld. Ik kijk om me heen. Een paar meter verderop zie ik een oud station. Langzaam ga ik liggen. Ik vouw mijn benen over elkaar en leg mijn hoofd op de koude grond. Huilend blijf ik liggen en begin te paniekeren. Wat moet ik nu doen. Het is voorbij. Thomas. Hij, hij is weg. 
 
Maar dan hoor ik een stem. Een stem die mijn naam schreeuwt. "FLEUR!" Ik open mijn ogen. "Fleur! Ben jij dat? Alsjeblieft zeg me dat je daar bent!" In een seconde sta ik op, mijn ogen gericht op de jongen aan de andere kant van het spoor die mijn naam roept. Het is Thomas. Het is Thomas! Met een gigantische vaart ren ik naar hem toe. Even vergeet ik de pijn in mijn benen. Tranen stromen over mijn wangen. Tegelijkertijd springen we op het spoor en sluiten we elkaar in de armen. Ik druk me dicht tegen hem aan, zo dicht dat ik zijn hart voel kloppen. En oh wat ben ik blij om zijn hartslag te voelen. "Ik was zo bang dat je dood was." huil ik en houd hem stevig vast. "Rustig maar, ik ben hier,"  Zijn stem trilt, "Alles komt goed. Ik hou van je." zegt Thomas en geeft me een kus. "Ik ook van jou." Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Heel dicht achter ons klinkt een hard geluid. Het geluid van een vrachttrein die nog geen meter achter ons rijdt. Maar ik ben niet meer bang. Ik ben bij Thomas. En alles komt goed.
 
 
 
"Sam's verhaal"
 

“We moeten rennen Chloe” zei hij met een stem die overduidelijk teveel sigaretten had gezien. Zijn hand klemde zich in de mijne, zijn lichaam schoof angstig voorbij het raam om op de uitkijk te blijven staan. Ik wilde niet rennen, ik had nooit willen rennen. Tegelijkertijd wilde ik hem ook nooit kwijt. Mijn leven voorstellen zonder hem was een van die dingen die ik gewoon niet kon. Ik kreeg het  niet eens over mijn hart om hem op vakantie te laten gaan. Gelukkig hoefde dat niet meer, we renden.  Zijn hand trok me mee door de schuifdeur naar buiten, we lieten het motel achter ons net als alle mensen die ooit iets om ons hadden gegeven.

 “Eerlijk gezegd moet jij rennen” mompelde ik buiten adem.

Zijn lichaam verstijfde en draaide zich abrupt om. De warme hand verliet de mijne terwijl ik gebogen probeerde mijn adem terug te vinden. Als ik om keek was het motel zelfs al uit beeld. “Ja wat? Het is toch zo!”

 “Ik ga niet eens in discussie, het rennen heeft weer het slechtste naar boven gehaald” Ik trok mijn trui over mijn beschadigde knokkels om mijn vuisten te verbergen. Inderdaad, ik wilde hem niet kwijt maar gek werd ik wel van hem. Het is bijzonder om twee emoties tegelijk te voelen. Alsof je eigenlijk niet meer weet wat je nou daadwerkelijk voelt. “Chlo?” ongeduldig viel zijn hoofd iets naar voren. Mijn ogen begonnen te tranen, het werd teveel.

 “Bastian ik wil niet meer rennen” angst nam mijn lichaam over zodra zijn lichaam zich aanspande. Ik had deze woorden eerder gesproken, de eerste keer schold hij me uit en vertelde hij me dat ik een slecht persoon was omdat ik niet wist wat ik wilde. Hij vertelde me dat ik niet met zijn gevoelens mocht spelen en hem niet mocht gebruiken voor zijn geld. Hij dacht dat omdat we helemaal naar Frankrijk gereisd waren hij degene was die gebruikt werd. Echter was ik de persoon in dit verhaal die alles achter liet om

hem te beschermen. Ik kon zijn leven verwoesten als er iemand naar me toe kwam over zijn verleden. Zijn verleden was mijn verleden nu dat we waren gevlucht.

 “Niet alweer”

“Sorry! Oke, het spijt me! Maar ik wil niet op die verdomde boot stappen, het is daar koud, we zijn alleen en wie weet welke freek ons in huis wilt nemen!” mijn hand vloog naar rechts om mijn emoties uit te drukken. “Ik wil terug…. Met jou”

 “Je weet heel goed dat dat niet kan!” zijn voeten stappen door en voor ik het weer sta ik oog in oog met zijn vinger. Hij wijst naar me alsof ik een object ben.  “Mensen zoeken me Chlo” zijn handen zijn weer teder, zachtjes plaatst hij ze onder mijn kin en legt hij zijn voorhoofd tegen de mijne. Zijn ogen stonden nog steeds vol vuur. “Ga mee, we redden ons wel” warme lucht blies tegen me aan zodra hij wat zei. Bang om weer slachtoffer te worden sloeg mijn hart even over.
 “Niet naar Engeland…” mijn ogen sloten zodat ik hem niet aan hoefde te kijken, dat deed teveel pijn.

 “Goed, niet naar Engeland.” Wacht wat? Mijn schouders vielen uit opluchting maar een rilling nam mij over toen hij van mij verdween. Ik liet het licht weer binnendringen en draaide me om zodat ik kon zien waar hij heen liep. Ik volgde hem, langs de tientallen winkels en gesloten café’s. Het spiegelbeeld liet de slechte conditie zien waarin wij verkeerden. Hij, ongeschoren en met kapotte schoenen. Ik? Ik met een uitgezakte staart, een veel te grote trui die wel een wasbeurt kon gebruiken en als kers op de taart, een uitgescheurde broek. Negen dagen onderweg zonder wasmachine of enige luxe.

 “Bastian waar-“ ik werd onderbroken door het geluid van een spoorboom. Een trein stopte voor de wachtende mensen. “-gaan we heen…” mompelde ik om mijn zin af te maken. Hij bleef geluidloos doorlopen. Langs het station op maar wel met zijn voeten over de rails waarop treinen met volle vaart bewogen.

 “We volgen het spoor, die leid je altijd naar grote steden.” Zijn hand grijpt weer naar de mijne maar ik heb het bijna niet door. Ik was alleen bezig met opletten of er geen trein aan komt rijden om ons plat te rijden.
 “Fack!” schreeuwde ik wanneer mijn enkel met een klap omsloeg. Ik kreunde uit pijn, knielde neer op het gevaarlijke spoor en omhelsde mijn been. Het hielp niet maar ik kon er moeilijk op blijven staan. “Bastian! Bastian jezus help eens!” schreeuwde ik in tranen naar de vertrokken jongen. Hij balanceerde op het randje van het spoor zonder enige bemoeienis met mijn pijn. Dat was het moment dat hij ver van mij af was en ik achter me hetzelfde geluid van de spoorboom ontving. Het galmde harder dan ooit over het spoor. Mijn hoofd klapte in haast om . De trein was rood, knalrood. Stoom blies uit de bovenkant en stoppen deed die niet. Op mijn hand steunend en met mijn nog levende been probeerde ik mezelf omhoog te tillen. Bijna op viel ik weer neer, als een baksteen. “BASTIAN!” schreeuwde ik in paniek. Mijn gezicht werd rood van het huilen maar ik gaf het op. Misschien was dit wat hij wilde, wat ik wilde. De trein verspreidde een harde kreet om mij te waarschuwen, alsof ik hem nog niet gezien had. Mijn ogen sloten, mijn lichaam bleef zitten. Tranen stroomde en voor even had ik niet eens door dat het geluid van de trein was uitgestorven. Mijn lichaam werd omringt door zijn armen, zijn lippen op mijn voorhoofd en zijn wrijvende hand op mijn rug. De trein had ons gepasseerd. Hij had me gered. “Ik-….hoe?” snikte ik tussendoor.

 “Het is goed, ik ben bij je” Zei hij, aan de zijkant van het spoor.
 
 
 
 
 
Vonden jullie dit nou een leuk idee, laat het ons dan weten zodat we misschien vaker dit soort dingen kunnen proberen!